top deco

Daders en slachtoffers

Inleiding

In de familiegeschiedenis zijn ook verhalen en documenten terug te vinden die iets zeggen over een crimineel verleden. Familieleden die dader en/of slachtoffer waren of getuigen waren bij een misdrijf, zowel kleine als grote vergrijpen en zelfs futiliteiten.

goudsmidBeschuldigd van gesjoemel als goudsmid

Arent Jacobs Cranenburgh, voorouder in de tak Laduk, werkte als goudsmid in het mooie stadje Montfoort. Hij was daar tevens schepen, een soort wethouder.
In mei 1648 legden 2 dames een notariƫle verklaring af.
Burgervrouw Wijve Peters Verweij getuigde dat zij een ring had laten maken. De ring werd omschreven als een dubbele hoep. Zij moest hiervoor 29 gulden en 10 stuivers betalen. Volgens een goudsmid in Utrecht was de ring echter 3 gulden minder waard.
Janneken Cornelis Tijssen had 4 jaar eerder Arent gevraagd om 2 ringen nauwer te maken. De ene ring was een 'hoep' en de andere een merkring. Janneken had nog steeds geld tegoed van het materiaal dat Arent uit de ringen had gehaald.
Helaas is niet bekend wat de uitspraak van het gerecht was.

Diefstal en steekpartijen in Herwen en Aerdt

RechtbankIn het Gelderse rivierenlandschap, vlakbij Lobith, liggen de dorpjes Herwen en Aerdt. Onze voorouders in de tak Zuidwijk, Otto Hendriksz Brands en zijn zoon Hendrik Brands waren daar gerechtsmannen. Een gerechtsman is een uit de burgerij gekozen persoon, die de rechter bijstaat. Zo was Otto betrokken bij de veroordeling in een zaak, waarbij zijn zoon Aernt Otthen Hendriks Brands slachtoffer was:

Diefstal en kattekwaad door Coenraedt Jacobsz

In 1657 zat de 45 jaar oude Coenraedt Jacobs opgesloten in de gevangenis te Herwen. Hij was afkomstig uit het dorp Nuis in Groningen, maar woonde al 20 jaar in Herwen, omdat hij daar als soldaat gelegerd was.

Hij had bekend dat hij 3 jaar daarvoor 's-nachts een stiertje had gestolen uit de wei van Aernt Brands. De wei lag aan de Oude Waal, waar hij 's-nachts vaak ging vissen. Eenmaal thuis gekomen bij zijn vrouw Hilleken hadden zij het stiertje geslacht. De huid verkocht hij voor 4 gulden aan een schoenmaker, een 'zwarte kerel', in de nabijgelegen stad Huissen. Het vet ging naar een 'tudde' - waarschijnlijk is dat een touwslager. Het vlees hadden ze lekker zelf opgegeten.

Coenraedt gaf ook toe dat hij 's-nachts bij andere mensen had gevist, en dat hij daarbij het wasgoed van schipper Jonckhans had misbruikt, dat aan de wilgen hing te drogen.

De rechter was niet tevreden met de bekentenissen, omdat Coenraedt volgens getuigen nog meer delicten gepleegd zou hebben. Daarom bepaalde de rechter dat de gevangene weer ondervraagd moest worden door de scherprechter, de beul. Als de gevangene ontkende, zou hij gemarteld worden...
Waarschijnlijk was het dreigement afdoende om Coenraedt nog meer te laten bekennen, want bij de volgende zitting had hij geen zichtbare tekenen van brandmerken of geseling.

Coenraedt had daarna toegegeven:

  • dat hij bij nacht en ontij zijn beesten in Derick van Huissens boomgaard en valleien had gedreven om ze daar te laten weien.
  • dat hij met Jan de Beijer en Jan Keteler de duinen had 'bescheten', terwijl de mensen in de kerk waren. Als de kerkgangers op de route naar huis over de duinen zouden klimmen, zouden zij hun kleren vuil maken.
  • dat hij s-'nachts een drachtig varken had gestolen dat Willem in den Reisenden Man had gekocht van Jan de Snijder.
Het gerecht oordeelde op 11-7-1657 dat Coenraet Jacobsz naar een publieke plaats gebracht zou worden, waar hij door de scherprechter met een roede gegeseld zou worden. Hij werd tevens verbannen en liep bij terugkeer het risico 'aen lijve gestrafft te worden dat daer die doot navolgt'.

Steekpartij in huis van Aernt Brants

gevechtAernt Brants was niet alleen slachtoffer van de hierboven vermelde diefstal van een stiertje, maar hij was ook getuige van een steekpartij in zijn huis in 1664.
Albert Gerrits had daar Geurt Reijers zeer moorddadig vier keer gestoken: twee keer in de borst en twee keer in de buik. Guert liep hierdoor het gevaar te sterven, maar overleefde dit wonder boven wonder. Geurt was een broer van voorouder Derck Reijers.
Het gerecht van Herwen en Aerdt veroordeelde Albert tot een boete van 100 'golt' guldens. Tegen de boete werd bezwaar gemaakt, omdat Albert ook al veroordeeld was door het gerecht van Pannerden en Millingen.

Fatale steekpartij in de herberg van Tienhoven

In 1642 was voorouder Arie Cornelisz Maet (tak Laduk) getuige van een fatale steekpartij in het landelijke Tienhoven aan de Lek.
De 30 jaar oude Arie was met anderen in de herberg van Jan Cors aan den Rolloff te Tienhoven. Daar zag hij dat Herbert Cornelisz Coijmange ruzie had met Jan Ruttersz. Herbergier Jan voegde zich bij die ruzie met 'een grooten blooten opsteecker', een mes dus. Jan stak Herbert in zijn rechter arm, waaraan hij een grote zware kwetsuur en een stijve arm overhield. Herbert wilde zich verweren tegen 'sodanige onfatsoenlijckhede' en had Jan Corse gestoken in de rechter borst. Na 12 zware dagen met koorts en toevallen was Jan Cors uiteindelijk overleden.
Uit de getuigenis blijkt niet of de mannen veel bier of wijn hadden gedronken. Ook vermeldt het archief niet of Herbert hiervoor is veroordeeld.

Gratie na een fatale steekpartij in Loenen aan de Vecht

De toen 21-jarige Gerrit Cornelisz Crieck - een voorouder uit een welvarend milieu in de tak Laduk - was op nieuwjaarsavond 1584 bij een samenzijn in het huis van Johan van Renesse de Loenen. Het gezelschap had zich vermaakt met het middeleeuwse spel 'colven'. Maar het bleef niet gezellig, want er onstond onenigheid over het spel. Aert Thonisz wilde de colven (slaghouten) niet terug geven. Daarop begon Gerrit Crieck te vloeken en werden de messen getrokken. Tijdens de vechtpartij struikelde Aert en viel met zijn hoofd tegen Gerrit. Gerrit was bang dat Aert hem in de buik zou raken en ter vedediging stak hij Aert twee keer met een mes in de schouder. Deze steken werden Aert fataal.
Bevreesd voor straf was Gerrit Loenen ontvlucht. Tijdens de 10 jaar dat hij elders was, verdiende hij zijn dagelijkse kost als turftrekker. Maar Gerrit kreeg spijt en keerde vanuit Nieuwkoop (Nijcop) weer terug naar de provincie Utrecht om zich te verzoenen met de vrienden van Aert en om zijn boete te betalen.
Het Hof van Utrecht behandelde deze zaak in 1594. Gerrit was toen getrouwd en had 4 kleine kinderen waarvan de jongste 1,5 jaar was. In zijn pleidooi vertelde Gerrit dat hij ook als soldaat voor het vaderland had gediend en hij verzocht ootmoedig om gratie, omwille van zijn kindertjes.
Neeltgen, de weduwe van de omgekomen Aert was met haar zoon Anthonis door het hof gehoord. Het hof had ook diverse aanbevelingsbrieven gekregen met pleidooien ten gunste van Gerrit.
Het hof vond in eerste instantie dat Gerrit als voorbeeld voor anderen gestraft behoorde te worden. Maar er werd gratie verleend mede omdat 'enige personen van kwaliteit' gepleit hadden voor Gerrit. Gerrit moest wel een boete en onkosten betalen. Ook moest hij 31 gulden betalen om uit de hechtenis te mogen gaan.

Gevechten, scheldpartijen en dronken predikanten in Rotterdam

pasteibakker Voorouder Jan Weerts (tak Laduk) was een pasteibakker in Rotterdam. Hij had ook gewerkt als schipper, makelaar en pontgaarder (makelaar in koren). Jan was in zijn leven bij verschillende incidenten betrokken.

Zoals in 1645. Er was een vechtpartij voor het huis van Thomas Hendricksz op de Nieuwe Haven voor de Koestraat. Wijnkopersgezel Jan Claesz had ruzie met de knecht van ene Thomas Russel. Jan Claes had deze knecht geslagen en van de trap af geschopt. Daarna had Jan Claesz de vrouw van Russel geslagen, waarop zij terugsloeg met een ijzeren schop. Voorouder Jan Weerts zag de mishandeling van de vrouw en had haar ontzet.

In 1648 was Jan Weerts zelf de 'boosdoener'. De gildebroeders en de hoofdlieden (bestuur) van het Bakkersgilde hadden een bijeenkomst in de St. Jorisdoelen te Rotterdam. Jan Weerts, die toen bakker was in de Kerkstraat, had de hoofdlieden slecht bejegend in het bijzijn van de gildebroeders. Jan was boos omdat volgens hem de hoofdlieden 3 jaar lang hun werk niet goed hadden gedaan.

Jan Weerts was 50 jaar toen hij in 1650 in de Wijnstraat Adriaen Hoogendijck tegen het lijf liep. In zijn functie als diaken en ouderling van de Remonstrantse kerk, wilde Jan van Adriaen weten of het waar was dat hij enkele predikanten dronken had gezien. Adriaen vertelde dat hij dat van Jan Koster had gehoord. Hierop ontstond een ruzie tussen Jan en Adriaen waarbij het woord 'schelm' was gevallen.

Belastingontduiking?

Jan van Beveren was getrouwd met Appolonia Ketelaars een dochter van voorouder Jan Jacobs Ketelaer, (tak Laduk).
Jan woonde in Rotterdam in de Oppert en zijn huis had het uithangbord 'Den Blaeuwen Haen'. Hij was 'verwer' van beroep - verver van stoffen.
Op 17-1-1662 getuigden de gerechtsbode en de uitbater van de 'gemeenelandts middelen' op verzoek van Adriaan van Bleijswijck. Adriaan was belastingontvanger (pachter van de impost) op de Waag.
De getuigen zagen in de ochtend van 6 januari een meelbaal liggen voor de deur van Jan van Beveren de jonge. Toen zij 's middags de woning van Van Beveren bezochten, troffen zij deze meelbaal aan. Jan verklaarde, dat hij de meelbaal twee dagen daarvoor van een herder had gekocht. Deze had de baal bij hem had afgeleverd. Omdat de baal niet was gewogen werd Van Beveren bekeurd. Toen zij later zijn vrouw in het voorhuis aantroffen, verklaarde zij echter dat de meelbaal die zelfde dag was gekocht.
De tegenstrijdige verklaringen doen vermoeden, dat hier toch iets niet in de haak is geweest...

Bronnen:

  • FamilySearch
  • Rijksmuseum
  • Het Utrechts archief
  • Stadsarchief Rotterdam
  • 'Ons Voorgeslacht'
  • RHC Rijnstreek en Lopikerwaard



Contact

Over deze website

Heb je aanvullingen, verbeteringen, vragen en/of foto's? Neem contact op. Wij horen graag van je!
Je kunt gegevens overnemen van de site als je de bron vermeldt.
Vanwege het auteursrecht op diverse documenten kun je afbeeldingen niet overnemen.