"Straf"-kolonie Veenhuizen

De ontroerendste foto in de database vind ik de foto van Wilhelmus Alsemgeest. De foto is gemaakt in Veenhuizen. Veenhuizen was eerst een gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid met als doel 'Arbeid ter disciplinering en bestraffing'. De Maatschappij had nog andere kolonies in Drente: Frederiksoord, Willemsoord, Wilhelminaoord en Boschoord. In de familie komen nog enkele personen voor met een vermelding in Veenhuizen of andere kolonies. Triest is dat mensen die in het verleden onvrijwillig in het gesticht Veenhuizen terecht kwamen geen misdadigers waren, maar door een strenge discipline toch gestraft werden voor armoede en/of landloperij.

Wilhelmus Alsemgeest

In 1896 werd Wilhelmus ingechreven in Veenhuizen. Die inschrijving is nu terug te vinden op een 'Signalement-kaart' van het Drents Archief. Op de signalementkaart zijn ook kenmerken van Wilhelmus geschreven, met veel details over het rechteroor. Van Wilhelmus zijn onder andere de volgende feiten bekend:
  • Geboren in 1844 te Rotterdam
  • Gediend bij de infanterie van het N.O.I.L., het Nederlandsch Oost-Indisch Leger.
  • Was in de jaren 1864-1865 'ligtmatroos' op een wachtschip. Een ligtmatroos is een onervaren matroos. Een wachtschip houdt de wacht bij haven, riviermonding of zeegang.
  • Van beroep werkman
  • In 1896 veroordeeld door de rechtbank te Den Haag wegens landloperij. Vroegere veroordelingen: 2
  • Ongehuwd
  • In 1902 - op 58-jarige leeftijd - te Veenhuizen overleden

Het "misdrijf" waarvoor Wilhelmus in Veenhuizen is beland is landloperij.
Bij de inschrijving heeft hij als moeder "Geertruida Maria Boekele" opgegeven. Dit is een andere naam dan die van zijn echte moeder: Ida Rosier. Geboortedatum en vader kloppen wel.

Oorzaak en gevolg?

In de tijd dat Wilhelmus bij de infanterie kan hebben gezeten, staan diverse oorlogen en expedities geregistreerd, waarvan de belangrijkste de Atjeh-oorlog. Dit roept direct weer de vraag op of Wilhelmus traumatische ervaringen heeft gehad in het leger en daardoor niet goed meer kon aarden in de maatschappij. Hiernaar zal nog onderzoek gedaan worden in de archieven.

Naar boven

Veenhuizen en kolonies

Veenhuizen is een plaats in de gemeente Noordenveld, provincie Drenthe. Veenhuizen dankt zijn bestaan aan de bouw van drie grote gestichten voor bedelaars, landlopers en wezen in het jaar 1823. De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen met arbeid heropvoeden. Aanvankelijk bood men arme gezinnen uit de grote steden de gelegenheid vrijwillig naar Drenthe te komen en zich daar in koloniën te vestigen. Het idee hierachter was dat men zo als boer een nieuw bestaan kon opbouwen. Plaatsen als Frederiksoord en Wilhelminaoord zijn op deze manier ontstaan. Omdat blijkbaar niet iedereen uit vrije wil deze oplossing wilde kiezen, bouwde de Maatschappij in Ommerschans en Veenhuizen grote vierkante dwanggestichten.

Ieder gebouw leverde onderdak aan gemiddeld 1200 gevangenen, of verpleegden zoals ze toen nog werden genoemd. Ze werden ondergebracht in slaapzalen van 80 mensen, die overdag werden omgebouwd tot werk- en eetzalen.

In 1859 nam de rijksoverheid de gestichten over en maakte er in de jaren zeventig van de negentiende eeuw rijkswerkinrichtingen van. Justitie bouwde rond 1900 vervolgens twee nieuwe gevangenissen, ontworpen door Johan Frederik Metzelaar en zijn zoon Willem Cornelis Metzelaar: Norgerhaven en Esserheem. Daaromheen werd een heel dorp aangelegd, gesplitst in twee delen: Veenhuizen 1 en Veenhuizen 2. Het grootste gebouw, nu Klein Soestdijk geheten, was bestemd voor de hoofddirecteur. De imposante woningen langs de Veenhuizer vaart, op de gevel voorzien van stichtelijke spreuken als "Werk en Bid" en "Huis en Haard" waren bedoeld voor het bewakend personeel.

De gezinnen die zich op vrijwillige basis als kolonisten in Drente vestigden, kwamen terecht in eenvoudige huisjes in Willemsoord, Frederiksoord en Wilhelminaoord. De kolonisten kregen een woning met een hectare grond, er werd voorzien in hun onderhoud, er was geneeskundige hulp, alsmede godsdienst- en schoolonderwijs. Het regiem van de Maatschappij was streng.

Uit een verslag van de subcommissie Monnickendam aan de kolonie blijkt hoe hard het leven in de kolonie kon zijn. Zie de site van Wil Schackmann: Verslag subcommissie Monnickendam. In dat verslag wordt ook Arie van Galen (één van de hieronder vermelde familieleden) genoemd, die wel tevreden was over zijn verblijf daar.

Naar boven

Andere familieleden in Veenhuizen en andere kolonies

Familieleden die in Veenhuizen of kolonies van de Maatschappij van Weldadigheid verbleven:

  • Wilhelmus Stephanus Alsemgeest
    De vader van de hierboven vermelde Wilhelmus.
    Wilhelmus Stephanus werd in 1877 te Den Bosch veroordeeld wegens landloperij. Twee jaar later overleed hij te Ommerschans.

  • Willemina Jacoba Alsemgeest
    Willemina werd als 13-jarige ingeschreven in Wilhelminaoord als 'ingedeelde', waarschijnlijk op advies van de gemeente Den Haag. Vermeld wordt dat zij op 18-jarige leeftijd vertrok uit kolonie 1. Maar in 1855 - toen zij 21 was - deserteerde zij uit de kolonie Frederiksoord.

    Haar leven moet erg moeilijk zijn geweest: geboren als een bastaard; op 10-jarige leeftijd bij het huwelijk van haar moeder erkend; verblijf in Veenhuizen; later zelf 2 bastaard-kinderen gekregen en op 46-jarige leeftijd overleden.

    Toelichting: Een ingedeelde woonde bij een vrije kolonistengezin in huis in een van de drie vrije koloniën, waarvan Wilhelminaoord kolonie nr 2 was.
    Ingedeelden werden ook wel bestedelingen genoemd omdat zij door een organisatie of persoon uitbesteed waren. In het begin werden vooral wees- of armenkinderen ingedeeld/besteed, maar na een tijdje konden ingedeelden alle leeftijden hebben, ook hoogbejaard. In het begin waren er twee vormen van indeling: een groepje van zes weeskinderen werd onderbracht bij een (ouder) echtpaar dat als huisverzorgers voor hun zorgde of een individu werd ondergebracht bij een gezin van vrije kolonisten. De eerste vorm werd geleidelijk steeds zeldzamer en was rond 1840 verdwenen. Toen zaten alle ingedeelden bij een koloniaal gezin in huis.

  • Arie Alsemgeest
    Arie is in 1908 op 56-jarige leeftijd te Veenhuizen (Norg) overleden. Arie was weduwnaar.

  • Petrus Jacobsz (Pieter) Alsemgeest
    Pieter overleed in 1875 op 75-jarige leeftijd te Veenhuizen (Norg). Pieter was ongehuwd.

  • Helena Broodhagen
    Ook Helena is in Veenhuizen overleden in 1888. Zij was toen 76 jaar en weduwe.

  • Maartje Koeleveld
    Maartje was 23 jaar toen zij in 1847 te Veenhuizen overleed.

  • Leendert Marinus van Waasdijk
    Leendert werd op 16-jarige leeftijd als wees geplaatst in Wilhelminaoord en is later geplaatst in Frederiksoord. Toen hij volwassen was verliet hij de kolonieën van de Maatschappij van Weldadigheid en kon het Weeshuis der Gereformeerden binnen Delft een andere wees plaatsen. Zie ook: Het artikel van Wil Schackmann over Leendert e.a.

  • Herman Frans Kalff
    In 1938 was Herman Frans eerst ingeschreven in Veenhuizen als 'ambtenarenvader' en hij woonde op hoeve: 50; Op 8-7-1838 was hij "bij engagement" (f 5,20 per week) zaalopziener te Veenhuizen.

  • Arie van Galen en gezin
    Dit gezin is één van de eerste gezinnen geweest die zich als kolonisten in Willemsoord vestigden. Willemsoord is namelijk in 1820 gesticht en het gezin arriveert op 1 juni 1820 met drie eigen kinderen plus twee ingedeelde wezen uit hun oude woonplaats. Zie: De eerste bewoners van Willemsoord.

    Pas op 1 mei 1869 (op 83-jarige leeftijd) is Arie buiten de kolonie geplaatst. Zijn vrouw Trijntje was 5 jaar daarvoor overleden. Van Arie is bekend dat hij tevreden was over zijn verblijf in Willemsoord.
    Bij de Maatschappij staan 9 kinderen geregistreerd: Vier kinderen (Hendrik, Jan, Adrianus Antonie en Maria Gerardina H.) kregen drie maanden verlof en zijn op de vertrekdatum (1837, 1836, 1848, 1850) formeel ontslagen. Drie kinderen (Gerbrand, Klaas Antonie en Petrus Nicolaas) zijn overleden te Willemsoord (1836, 1827, 1830). Dochter Geertje is op 21-jarige leeftijd in 1843 gedeserteerd. Zij was toen zwanger van Paulus Jansen. Paulus wordt vermeld in een rapport van de Raad van Politie van 27 april 1839. Hij wordt dan door fabrieksbaas (Arie) van Galen vrijgesproken van baldadigheid.
    Zoon Johannes Lamb., de jongste is op 21-jarige leeftijd in 1854 gehuwd ontslagen en is later zelf kolonist en opvolger geworden. Een opvolger (meestal de jongste) blijft in de kolonistenwoning na het vertrek van de (schoon)ouders. Johannes is in 1880 met zijn gezin uit Willemsoord vertrokken.

    In een overzicht van de kolonistengezinnen d.d. oktober 1844 schrijft de directeur: 'Het gezin van Galen bestaat op dat moment uit vader en moeder van Galen/Visser en de kinderen Adriaan van 20, Maria van 13 en Johannes van 11. Arie is opziener in de fabriek. Zijn vrouw is ziekelijk maar verricht wel wat huishoudelijke bezigheden. De oudste zoon is timmerman. Maria verdient niets maar helpt haar ziekelijke moeder met het huishoudelijke werk en de jongste gaat nog naar school. Arie en zijn oudste zoon verdienen voldoende. Zij behoren tot de zogeheten 'valide huisgezinnen'. Met uitzondering van Trijntje zijn allen gezond'. Kortom, er zijn niet de minste aanmerkingen.

    Op 9 juni 1854 krijgt Arie van Galen antwoord op een door hem geschreven brief d.d. 10 april met daarin de vraag of zijn zoon Anton (Adrianus Anton) met vrouw en kind bij hem mag komen inwonen en de hoeve op die zoon overgeschreven mag worden. De Subcommissie vindt dat goed, maar de Permanente commissie gaat niet accoord omdat Arie's zoon gehuwd is en zich buiten de Kolonie bevindt. Maar Arie laat het er niet bij zitten en schrijft dat dat laatste wel vaker voorkwam. Zijn er soms andere redenen? Aan de verdiensten kan het ook niet liggen. Hij is al 35 jaar betrokken bij het fabriekswezen. Alle kinderen zijn inmiddels het huis uit, behalve de jongste, Johannes Lambertus. Deze heeft van de Subcommissie van Den Haag een hoeve toebedeeld gekregen, omdat zijn schoonvader uit die stad kwam. De zoon (Anton) waar hij, Arie, voor vraagt, heeft door vlijt en spaarzaamheid een eigen woning verworven buiten de Kolonie, ter waarde van f 100,- die hij bereid is af te staan. De afloop van Arie's pleidooi is me niet bekend.
    Arie krijgt in 1857 f 0,50 per week in zilver.


Naar boven

Bronnen:

  • Het Drents Archief
  • "Het pauperparadijs", boek van Suzanne Jansen
  • Wikipedia
  • Toeristeninformatie Nederland
  • Museum Veenhuizen
  • Wil Schackmann en zijn boek "De proefkolonie"
  • Vereniging Oud-Monnickendam